De Belastingdienst hoeft niet toe te staan dat Nederlandse bedrijven een ’fiscale eenheid’ vormen met hun buitenlandse dochters. Dit heeft het Europese Hof van Justitie bepaald. Met deze uitspraak komt er een einde aan een mammoetgevecht tussen het bedrijfsleven en de fiscus. Binnen een fiscale eenheid ziet de Belastingdienst een hoofdkantoor en de dochters van een onderneming als één geheel. Voor Nederlandse bedrijven is dit in de praktijk erg gunstig. Arjo van Eijsden, fiscalist bij Ernst & Young: „Het moederbedrijf kan dan verliezen van een dochter aftrekken van de eigen winst. Die valt hierdoor lager uit. En dat betekent dat er minder belasting hoeft te worden betaald.” Ook is er in deze constructie geen belasting verschuldigd als de onderneming schuift met bezittingen tussen de verschillende bedrijfsonderdelen. Denk bijvoorbeeld aan panden en installaties. Van Eijsden: „Maar niet iedereen kan hiervan profiteren. Het fiscaal gunstige regime geldt alleen voor Nederlandse ondernemingen met een dochter in ons land. En niet voor buitenlandse vestigingen.”
Een Nederlandse bv met een dochter in België wilde ook een fiscale eenheid oprichten, maar de inspecteur zette hier een dikke streep door. De onderneming was het daar niet mee eens en stapte naar de rechter. Het uitsluiten van de buitenlandse dochter zou in strijd zijn met de Europese regels voor vrije vestiging.
Uiteindelijk kwam de zaak voor de Hoge Raad. Die stelde vragen aan het Europese Hof van Justitie. Dat oordeelde dat de weigering van de Nederlandse fiscus door de beugel kan. Als het vormen van een fiscale eenheid met buitenlandse dochters wordt toegestaan, dan kunnen multinationals vrij gaan schuiven met hun verliezen. Dat is onwenselijk.
Volgens fiscalist Van Eijsden heeft het Europese Hof zich de afgelopen jaren vaker uitgelaten over de verrekening van buitenlandse verliezen. Maar toen ging het niet over de Nederlandse regels. „Een beroemd arrest in 2005 ging over warenhuisketen Marks & Spencer. Hierin werd bepaald dat verrekening wél is toegestaan als de dochter inmiddels failliet is gegaan.”
De belastingexpert verduidelijkt: „Zolang de vestiging nog niet op de fles is, mogen verliezen niet verrekend worden met het moederbedrijf. De verliezen moeten in het andere land blijven. Mocht de dochter in de toekomst weer winst maken, dan is verrekening aldaar wel mogelijk.”
Volgens de fiscalist zal de uitspraak van het Europese Hof een opluchting zijn voor (demissionair) minister De Jager. „Die zag tal van problemen op zich afkomen als de rechters de fiscale eenheid met buitenlandse dochters toestaan. Er zou minder belasting in de schatkist stromen, omdat bedrijven een lagere winst kunnen opvoeren.”
Een ander probleem zouden leningen vormen die het moederbedrijf verstrekt aan vestigingen in andere landen. Over de rente die hierover wordt betaald, is ook belasting verschuldigd. Maar dit soort leningen zouden door de fiscale eenheid uit het zicht van de Belastingdienst blijven.”

Lees meer:
