Eind van dit jaar staat de Nederlandse overheid bij houders van staatsobligaties voor 380 miljard euro in het krijt. Die schuld – bijna 23.000 euro per inwoner – is voor meer dan tweederde in handen van buitenlandse beleggers. Verliezen zij het vertrouwen dat ons land tot in lengte van dagen prompt rente en aflossing op de uitstaande schuld zal voldoen, dan eisen beleggers op nieuwe leningen een hogere rentevergoeding. Die risicopremie loopt al snel in de papieren. Reken even mee.
De overheid moet het overgrote deel van haar schuld binnen tien jaar aflossen en herfinancieren. Dan nemen bij een 1 procent hogere rentevoet de rentelasten in twee kabinetsperioden met bijna 4 miljard euro extra toe. Geld dat niet langer beschikbaar is voor zorg, onderwijs, politie en sociale uitkeringen. Lenen voor lopende overheidsuitgaven betekent slechts uitstel van belastingheffing. De burgers betalen voor dat uitstel gezamenlijk een prijs in de vorm van oplopende rentelasten die andere uitgaven verdringen en de ruimte voor toekomstige belastingverlagingen beperken.
De recente ophef over de toestand van de Griekse staatsfinanciën maakt nog eens duidelijk hoe belangrijk het is dat landen beschikken over een geloofwaardige strategie om hun op dit moment torenhoog opgelopen begrotingstekorten weg te werken. Dat kan slechts op twee manieren: door te bezuinigen op de collectieve uitgaven of door de collectieve lasten te verzwaren.
Zoals op meer punten, koesteren de twee grootste regeringspartijen verschillende opvattingen. De sociaal-democraten lijken te kiezen voor een combinatie van snoeien en belastingverhogingen. De in discussie gebrachte opschaling van het toptarief van de inkomstenbelasting van 52 naar 60 procent is hiervoor exemplarisch. De christen-democraten benadrukken dat het tekort vooral moet worden aangepakt door te bezuinigen. Deze visie krijgt steun in een recent rapport van het wetenschappelijk instituut van het CDA, waarin staat te lezen dat de overheid volgens de opstellers ‘uit haar voegen is gegroeid’ (Op weg naar houdbare overheidsfinanciën, blz. 54).
De feiten leren anders. De collectieve uitgaven – gemeten als aandeel van het nationale inkomen – liggen hier op een vergelijkbaar niveau als in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In bijvoorbeeld België, Frankrijk en Oostenrijk is het beslag vanuit de collectieve sector duidelijk groter. En blijkens de belastingstatistiek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling is het belastingpeil in de afgelopen twintig jaar in geen van de dertig bij de OESO aangesloten industrielanden zo sterk gedaald als in Nederland. Zou ons belastingpeil nog op het niveau van eind jaren tachtig liggen, dan claimde de fiscus dit jaar 35 miljard euro meer dan feitelijk het geval is. Opmerkelijk: dat is om en nabij het bezuinigingsbedrag waarnaar twintig ambtelijke werkgroepen momenteel naarstig speuren.
De CDA-kijk op de overheidsfinanciën wekt niet alleen bevreemding in het licht van de feiten. Hij lijkt, gezien de omvang van het begrotingstekort, ook wereldvreemd. Het is, praktisch gesproken, vrijwel uitgesloten dat de overheidsfinanciën in de komende jaren op orde kunnen raken, uitsluitend door te grabbelen in de ton die in mei zal zijn gevuld met bezuinigingsideeën van de genoemde twintig werkgroepen. Een volgend kabinet ontkomt er hoogstwaarschijnlijk niet aan om ook maatregelen te treffen die de lastendruk voor particuliere huishoudens en ondernemingen verzwaren. Dit blijkt ook wel uit het tot nu toe gevoerde kabinetsbeleid.
Het coalitieakkoord, zoals herzien in maart 2009, bevat al diverse maatregelen die beogen de overheidsfinanciën op lange termijn beter houdbaar te maken. Met deze ingrepen – die overigens eerst op de zeer lange termijn volledig effectief zijn – is in totaal 13,5 miljard euro gemoeid. Het kabinet heeft hierbij gekozen voor een mix van bezuinigingen (8,5 miljard) en lastenverzwaringen (5 miljard).
De helft van de gewenste bezuiniging is gevonden door de AOW-leeftijd in twee stappen te verhogen naar 67 jaar. De lastenverzwaringen treffen mensen met een prijzige eigen woning, traditionele kostwinnersgezinnen, economisch actieven met een goed inkomen en de vijf miljoen huishoudens die zorgtoeslag ontvangen.
Bezitters van een eigen woning met een WOZ-waarde (waardering onroerende zaken) van meer dan 1 miljoen euro krijgen de komende jaren een steeds hogere fiscale bijtelling voor de inkomstenbelasting. Omdat de waardegrens van 1 miljoen niet wordt aangepast voor de inflatie, krijgen na het herstel van de woningmarkt steeds meer huizenbezitters met deze belastingverhoging te maken. De ‘aanrechtsubsidie’ voor niet-werkende partners wordt in vijftien jaarlijkse stapjes afgebroken voor mensen die na 1971 zijn geboren. De arbeidskorting wordt geleidelijk iets ingeperkt voor werknemers en zelfstandigen die meer dan 43.000 euro per jaar verdienen. De zorgtoeslag – een door de fiscus uitbetaalde tegemoetkoming in de ziektekostenpremie – wordt enigszins versoberd. Hiertoe is de grondslag voor de toeslag met vooruitziende blik al tot en met 2040 vastgelegd, tot drie cijfers achter de komma. Dat is nog eens regeren, tot ver over het politieke graf heen.
De geschetste aanpak van het houdbaarheidsprobleem leert dat beleidsmakers bij hun pogingen om de overheidsfinanciën op orde te krijgen in de praktijk noodzakelijkerwijs kiezen voor een combinatie van bezuinigingen en lastenverzwaringen. Dat zal in de aankomende kabinetsperiode zeker niet anders zijn.
Lees meer:

{ 6 trackbacks }